Alles over Gras
|
WintervastheidRasverschillen in wintervastheid worden voor een belangrijk deel bepaald door het bestand zijn tegen lage temperaturen (winterhardheid). Standvastigheid en herstellingsvermogen kunnen de schade beïnvloeden. Onder maaiomstandigheden is de vorstschade meestal groter dan bij beweiding. Intensief beheerd grasland met een hoge N-bemesting heeft meestal meer schade dan grasland met een lage N-bemesting. Gras dat in het najaar nog lang blijft doorgroeien en te lang de winter in gaat, of het nog zeer laat maaien van de laatste snede geven een grotere kans op winterschade en het optreden van sneeuwschimmel. Sneeuwschimmel kan voorkomen na een zachte herfst, onder een sneeuwdek en bij een traag herstel in het voorjaar. Vooral diploïde rassen van Engels raaigras met een dichte zode zijn gevoelig. Tetraploïde rassen worden meestal minder aangetast. Van de soorten voor meerjarig grasland is vooral Engels raaigras gevoelig voor winterschade. Een Engels raaigrasbestand met veel gestrekte vegetatieve spruiten, heeft meer kans op vorstschade. Timothee en Veldbeemdgras zijn zo wintervast dat eventuele rasverschillen in Nederland niet tot uiting komen. Bij Beemdlangbloem en vooral Witte klaver kan wel winterschade voorkomen. Dit geldt ook voor Italiaans en Gekruist raaigras. Beide soorten zijn bij voorjaarsuitzaai gevoeliger voor vorst in de eerst volgende winter dan bij najaarsuitzaai. |