Graszaadteelt |
Resultaten en conclusies2004 De omstandigheden bij zaai waren goed; door een droog voorjaar en een droge zomer was de bodemstructuur fijn. De hoeveelheid aantasting was mede hierdoor lange tijd laag. Pas aan het einde van de winterperiode begon de aantasting toe te nemen, wat resulteerde in flinke standverschillen in het voorjaar. 2005 De omstandigheden waren zeer gunstig voor slakken; de grond lag grof en was de hele proefperiode vochtig tot nat. Van de zaadbehandelingen gaven alleen behandelingen met middel A in de doseringen 300, 400 en 600 ml per kg zaad en middel G in de dosering 40 g per kg zaad een betere opkomst dan onbehandeld. Wel gaven de twee hoogste doseringen middel A enige opkomstvertraging. Zaadbehandelingen met middel A in alle drie doseringen, middel E in de dosering 206 g per kg zaad en middel H in de dosering 240 ml per kg zaad gaven een lager percentage aangetaste planten dan het onbehandeld zaad. 2006 Er werd met zaaien gewacht tot er gunstige omstandigheden voor slakken waren. Alle geteste zaadbehandelingen gaven minimaal een gelijke opkomst als twee behandelingen met slakkenkorrels. Na de winter resulteerden de hoogste dosering middel A en middel F in betrouwbaar hoger cijfer voor gewasontwikkeling dan twee keer strooien van slakkenkorrels. Ook was eind april het percentage grondbedekking een derde hoger dan bij gebruik van slakkenkorrels. Uit de potproef met de vergelijking tussen diploïd en tetraploïd graszaad bleek, dat er vrijwel geen verschillen waren tussen beide graszaadsoorten. De fytotoxiciteit lag voor beide soorten op hetzelfde niveau, en ook wat betreft de werking tegen slakken werden slechts kleine verschillen gevonden |