Gras voor de koe
 
Gras voor recreatie
 
Gras voor paarden
 
Groenbemesting
 
Koolzaad en Granen

Graszaadteelt


 

Aantasting en ziektebeeld

De veroorzaker van de blinde-zadenziekte is Gloeotinia temulenta (Prill. & Del.) Wilson, Noble en Gray en behoort tot de klasse der Ascomyceten en wordt ingedeeld bij de familie van de Sclerotiniaceae ( Boels-Diebels, 1971; Alderman, 1994). Deze schimmel wordt in de literatuur ook wel aangeduid met Gloeotinia granigena (Quelet) Schumacher.

Infectie van de bloempjes door G. temulenta kan in het veld op twee manieren plaatsvinden, namelijk primair uit het geïnfecteerd zaaizaad of secundair uit geïnfecteerde grasbloempjes. Geïnfecteerde zaden kunnen in het veld vaak geen kiemplant meer vormen, maar vormen wel kleine bruine paddenstoeltjes, de apotheciën. Ascosporen uit deze apotheciën kunnen de grasbloempjes infecteren. De geïnfecteerde grasbloempjes kunnen licht roze slijm afzetten, waarin sporen zitten die op hun beurt weer ander grasbloempjes kunnen infecteren.

Na de oogst is aan geïnfecteerd zaad uitwendig nagenoeg niets te zien, maar wanneer de kafjes verwijderd zijn blijkt dat het uiteindelijke zaad, al naar de ernst van de infectie, in meer of mindere mate verschrompeld en donkerder van kleur te zijn dan gezond zaad (Boels-Diebels, 1971; Alderman 1992). Het wijkt af door een lager duizendkorrelgewicht (DKG) en een lagere kiemkracht.

Bij de infectie speelt de secundaire infectie een grotere rol dan de primaire infectie door de ascosporen. Als tijdens de bloei de weersomstandigheden koel en vochtig zijn, is de kans op infectie groter dan bij droog en warm weer doordat de infectieomstandigheden goed zijn en schimmelactiviteit hoog blijft en de bloeitijd langer is.