Gras voor de koe
 
Gras voor recreatie
 
Gras voor paarden
 
Groenbemesting
 
Koolzaad en Granen

Graszaadteelt


 

Resultaten en conclusies

Indeling en typen

Gemiddeld over de vijf proefjaren, met in het oogstjaar 2000, 2001 en 2004 dezelfde set rassen en in oogstjaar 2002 en 2003 een grotendeels andere set rassen, zijn in tabel 1 per type en vroegheid de opbrengstverschillen tussen adviesbemesting en suboptimale bemesting weergegeven.
De opbrengstverlaging van de grasveldtypen bij een bemesting van 30 kg N/ha onder het huidige advies was het grootst. Ook de opbrengstverlaging van de diploïde hooitypen en de tetraploïde rassen was aanzienlijk. De late diploide rassen leken met een bemesting onder het gangbare advies toe te kunnen. Opgemerkt moet worden dat het aantal onderzochte rassen gering is en wellicht niet representatief voor het type zijn en dat het onderzoek in de vijf getoetste jaren geen gemiddelde seizoen hoeft te betreffen. De verschillen in zaadopbrengst tussen de twee niveau's gaven met uitzondering van de weidetypes ook aan dat bij bemesting boven advies wellicht nog een verdere opbrengststijging kan worden gerealiseerd. Belangrijk te vermelden is dat geen groeiregulatie is toegepast. De resultaten met gebruik van Moddus zullen waarschijnlijk anders uitvallen.

afbeelding

Deze resultaten, die van deling van stikstof en het eerder uitgevoerde Moddus onderzoek hebben in 2005 geleid tot een aangepast stikstofadvies per type.

afbeelding

Toepassingsmogelijkheden van de chlorofylmeter

De waarden zoals gemeten met de chlorofylmeter kwamen in het algemeen goed overeen met het bemestingsniveau en hadden een goede relatie met de visuele bladkleur. Uit de eerder proeven op kleigrond in Lelystad in 2000 en 2001 bleek de jaarinvloed op de chlorofylwaarde echter groot te zijn. Bij dezelfde drogestofproductie en zaadopbrengst verschilde de eind mei gemeten chlorofylwaarde meer dan 100 punten. Ook in 2002 en 2003 waren de verschillen groot. Bij het object N130, bemesting volgens advies minus 30 kg N/ha (figuur 1), viel vooral de chlorofylwaarde van Kooijenburg (KB) 2002 veel lager uit.

afbeelding

Met de verschillen tussen jaren en locaties valt een belangrijke peiler voor een goed bijmestsysteem weg. In de proeven is steeds hetzelfde ras gebruikt. Uit bemestingsproeven met diverse rassen bleken er daarnaast ook duidelijke rasverschillen te bestaan. Een andere voorwaarde is een betrouwbare chlorofylwaarde op het bijbemestingsmoment. In het tweede knoopstadium op Kooijenburg waren er in beide proefjaren tussen de diverse bemestingsobjecten geen verschillen in chlorofylwaarde. Op de kleilocatie Rusthoeve waren er wel betrouwbare verschillen tussen de objecten met een verschillende startgift van 160, 130 en 100 kg N/ha. De verschillen tussen de objecten bleven daarnaast in de loop van de maand mei op de twee proeven bij Rusthoeve niet constant. Naast de variatie tussen locaties en jaren bemoeilijkt ook de variatie in de loop van de maand mei het bepalen bij welke waarde een bijbemesting zinvol is.

Deling van stikstof (2002, 2003 en 2005)

Dit onderzoek werd met toepassing van Moddus uitgevoerd. De zaadopbrengsten waren op kleibeduidend hoger dan op zandgrond. Ook waren de effecten van deling verschillend. In tabel 2 zijn de gemiddelde zaadopbrengsten van de drie proefjaren per locatie weergegeven. Op de zandlocatie Kooijenburg werd door de N2 (45 kg boven het "oude"advies) de hoogste zaadopbrengst bereikt. Door de andere objecten werd deze opbrengst niet geëvenaard. Het is op basis van deze resultaten dan ook niet duidelijk bij welke N-gift de optimale zaadopbrengst kan worden bereikt. Deling van stikstof gaf geen hogere opbrengsten dan éénmalige giften.
Ook op kleigrond kon aan de hand van de éénmalige giften niet de optimale zaadopbrengst worden bepaald. De zaadopbrengst bij de hoogste in één keer toegediende stikstofgift werd overtroffen door enkele objecten waar de stikstofgift gedeeld werd gegeven en de totale stikstofgift geringer was. Door de bijbemestingen in het vlagbladstadium van 30 en 60 kg N/ha op respectievelijk de startgiften van 160 en 130 kg N/ha werden gemiddeld over de drie proefjaren de hoogste zaadopbrengsten gehaald.

afbeelding

Legering

Een nadeel van een te hoge beschikbaarheid van stikstof is een te vroege legering. Het bemestingsniveau had in de proeven een sterke invloed op de mate van legering. Eénmalige giften met gedeelde bemesting vergelijkend was de legering van de in het DC32-stadium bijbemeste objecten gelijk of sterker dan van de éénmalige giften en was de legering van de in het vlagbladstadium bijbemeste objecten gelijk of minder sterk dan van de éénmalige giften. De invloed van de groeiregulator Moddus was wel bepalend voor de verschillen. Bij vrij hoge doseringen van Moddus waren de verschillen kleiner dan bij lage doseringen.